Naar de navigatie

Regeling frictie- en transitiekosten culturele basisinfrastructuur 2009-2012.

 Veel gestelde vragen

Hieronder treft u de veelgestelde vragen en antwoorden aan. Voor specifieke vragen kunt u terecht bij uw contactpersoon bij OCW

1. Alternatieve aanwending

Wat is alternatief aanwenden?
Alternatief aanwenden is het inzetten van de subsidie voor 2009-2012 op een andere manier of voor een ander doel dan waarvoor deze oorspronkelijk is verleend. Het zal dan vaak gaan om het openbreken van de zogenoemde ‘prestatieafspraken’ (de voorgenomen prestaties van een instelling die met de subsidieverlening zijn vastgelegd). Het bedrag dat hiermee ‘vrijgespeeld’ wordt, mag na goedkeuring door OCW worden ingezet voor afbouw van bepaalde verplichtingen.

De mogelijkheid om alternatief aan te wenden is met name relevant voor instellingen die september of oktober jl. een brief hebben gehad over voorgenomen subsidiebeëindiging of – vermindering. Instellingen kunnen dan al vroegtijdig plannen ontwikkelen en in gang zetten voor de afbouw van verplichtingen. Ook instellingen die pas op Prinsjesdag 2012 weten of zij aanspraak kunnen maken op frictiekosten kunnen vanzelfsprekend nog alternatief aanwenden.

Wat voor kosten komen in aanmerking voor alternatieve aanwending?
Alle typen frictiekosten die na 2012 zouden optreden en op grond van de Regeling frictie- en transitiekosten culturele basisinfrastructuur 2009-2012 voor vergoeding in aanmerking komen, mogen ook worden gedekt door middel van alternatieve aanwending vóór 2013. Daarnaast mogen bijvoorbeeld ook bepaalde omscholingskosten of kosten voor van-werk-naar-werkbegeleiding worden gedekt. Die laatste typen kosten zijn géén frictiekosten in de zin van de regeling en komen ná 2012 dus niet voor vergoeding in aanmerking.

Waarom zou ik als instelling op het verzoek tot aanpassing van de subsidie en daarmee afbouw (alternatieve aanwending) ingaan?
Door de huidige subsidie aan te wenden voor afbouw is het mogelijk om een afbouwregeling voor personeel te treffen, waarin aanvullende kosten worden meegenomen die anders niet in aanmerking zouden komen voor vergoeding door OCW (bijv. omscholingskosten of kosten voor van-werk-naar-werkbegeleiding). Bovendien hoeven instellingen die al weten dat hun subsidie (gedeeltelijk) wordt beëindigd op die manier niet tot 2013 te wachten met afbouw van verplichtingen.

Mag OCW de gegeven subsidie wel inzetten om af te bouwen? Geld is toch juist gekoppeld aan productie in de zin van aantal voorstellingen, optredens enz. Kortom nu nog eerder al minder aanbod.
Wanneer een instelling n.a.v. het ingediende verander-/afbouwplan toestemming krijgt om alternatief aan te wenden, wordt de verleningsbeschikking gewijzigd. Hiermee is de verandering juridisch ondervangen.
Instellingen zijn niet verplicht om alternatief aan te wenden. Bovendien moet voor de alternatieve aanwending toestemming worden verkregen van OCW. Dit is geen manier om de bezuinigingen nog eerder in te laten gaan. Ook als instellingen het restant alternatief aan willen wenden, wordt nog steeds een basis aan culturele activiteiten verwacht.

Vanaf wanneer kan ik mijn plannen indienen?
Instellingen die in september of oktober jl. van OCW een brief hebben gehad over voorgenomen subsidiebeëindiging of – vermindering, was al de mogelijkheid geboden om verander-/afbouwplan voor alternatieve aanwending in te dienen. Sinds de inwerkingtreding van de Regeling frictie- en transitiekosten culturele basisinfrastructuur 2009-2012 (Stcrt. 2011, 20943) bestaat die mogelijkheid voor alle huidige BIS-instellingen. Een plan moet ter goedkeuring worden voorgelegd aan OCW, omdat de verleningsbeschikking zal moeten worden gewijzigd.

Wat is de procedure met betrekking tot het openbreken van de prestatieafspraken?
Voor het openbreken van de zogenoemde ‘prestatieafspraken’ (de voorgenomen prestaties van een instelling die met de subsidieverlening zijn vastgelegd) moet de instelling een schriftelijk verander-/afbouwplan ter goedkeuring voorleggen aan OCW.
Als OCW kan instemmen met een verander-/afbouwplan zal de verleningsbeschikking voor de periode 2009-2012 worden gewijzigd. Met zo’n wijzigingsbeschikking wordt vastgelegd welke prestaties niet meer van de instelling worden verwacht tijdens de resterende subsidieperiode en hoe de subsidie alternatief mag worden ingezet.

Mag ik alles wat ik in 2012 ontvang aan subsidie alternatief aanwenden?
Nee. De resterende subsidie over de periode 2009-2012 kan mede worden aangewend voor afbouw van verplichtingen. Hiervoor kan de instelling een verander-/afbouwplan indienen. OCW moet dit plan goedkeuren. Bij de beoordeling van plannen wordt rekening gehouden met (I) het bedrag dat de instelling alternatief wil aanwenden, (II) het aantal vierjaarlijkse periodes dat de instelling onafgebroken subsidie ontvangt, (III) de kostensoort ten behoeve waarvan de instelling alternatief wil gaan aanwenden, (IV) de activiteiten die de instelling in 2012 wel zal blijven uitvoeren en (V) het financieel perspectief van de instelling na 2012.
Het bedrag dat alternatief kan worden aangewend mag niet hoger zijn dan de vergoeding uitgedrukt in het aantal maanden doorloop van de subsidie 2009-2012 waar de instelling recht op heeft op grond van de Regeling frictie- en transitiekosten culturele basisinfrastructuur 2009-2012.

Kan ik zowel alternatief aanwenden als een vergoeding na 2012 ontvangen?
Ja, in principe wel. Kosten die binnen de reikwijdte van de regeling vallen, komen standaard in aanmerking voor vergoeding. Daarnaast kunnen instellingen ervoor kiezen een deel van de resterende subsidie voor de periode 2009-2012 alternatief aan te wenden. Hiertoe dient een verander-/afbouwplan te worden ingediend. Dit plan behoeft goedkeuring van OCW.
Instellingen kunnen dus zowel alternatief aanwenden als een vergoeding na 2012 ontvangen. Hierbij gelden onder meer de volgende voorwaarden. Ten eerste mag het bedrag dat alternatief wordt aangewend niet hoger zijn dan de vergoeding uitgedrukt in het aantal maanden doorloop van de subsidie 2009-2012 waar de instelling recht op heeft op grond van de Regeling frictie- en transitiekosten culturele basisinfrastructuur 2009-2012. Ten tweede, een instelling dient gedurende zowel 2012 als 2013 voor dezelfde kosten, dezelfde vergoeding uit te keren. Zo dient bijvoorbeeld eenzelfde ontslagvergoeding te worden gehanteerd voor ontslagen in 2012 als in 2013.

Wij willen eventueel afbouwen maar hebben ook verplichtingen bij andere overheden, hoe moeten wij hiermee omgaan?
De subsidierelatie tussen OCW en instellingen staat financieel gezien los van eventuele subsidierelaties die instellingen hebben met andere overheden, wel kunnen de prestatieafspraken tussen het ministerie en andere overheden overlappen. Mocht de alternatieve aanwending van de OCW-subsidie dan ook gevolgen hebben voor deze relaties, dan dient de instelling zelf in contact te treden met deze andere overheden om te bezien in hoeverre ook deze subsidieverlening aan te passen is. Voor de ene instelling zal dit lastiger zijn dan voor andere. Daarom is alternatieve aanwending bedoeld als aanvullende mogelijkheid om te komen tot afbouw van verplichtingen. De vaste vergoeding in de vorm van een doorloop van subsidie in 2013 biedt op zichzelf voldoende mogelijkheid om de met de afbouw gemoeide kosten te compenseren.

2. Categorie 1-instellingen / vaste vergoeding

Waarom heb ik destijds een afbouw-/veranderplan ingediend, de vergoeding is toch gestandaardiseerd?
Aan instellingen is gevraagd een opgave te doen van de frictiekosten die mogelijk op zullen treden na 2012. Op basis van de gegevens die zijn ingediend, is besloten om voor bijna alle instellingen een standaard vergoedingsregime toe te gaan passen in de vorm van een vaste doorloop van subsidie na de huidige periode. De afbouw- en veranderplannen die instellingen in hebben gediend, hadden betrekking op de mogelijkheid tot alternatieve aanwending in de lopende subsidieperiode.

Hoe verhoudt het bedrag van vergoeding zich tot mijn eigen frictiekostenbedrag?
De vaste vergoeding is een standaardvergoeding in de vorm van een doorloop van subsidie voor alle instellingen die geen B3-status hebben. Een B3-instelling is een privaatrechtelijk lichaam dat op 31 december 1995, op grond van artikel B 3 van de Algemene burgerlijke pensioenwet, was aangewezen als lichaam waarvan het personeel geheel of ten dele ambtenaar in de zin van de Algemene burgerlijke pensioenwet is. Aan de hand van de tijd dat de instelling al in de BIS zit, wordt de hoogte bepaald (2, 3 of 4 maanden ingeval van subsidiebeëindiging). Instellingen die voor de vaste vergoeding in aanmerking komen, ontvangen automatisch van OCW een schriftelijk bericht over de duur van de doorloop. Die brief is een besluit.

Wat als ik niet akkoord ben met de regeling?
De vaste vergoeding die aan niet B3-instellingen wordt verstrekt heeft de vorm van een eenmalige subsidie. Instellingen die het niet eens zijn met de vergoeding kunnen hier net als bij een ‘normale’ subsidiebeschikking bezwaar tegen maken. Tegen de Regeling frictie- en transitiekosten culturele basisinfrastructuur 2009-2012 zelf kan geen bezwaar worden ingediend.

Wat als ik helemaal niets doe?
Instellingen die voor de vaste vergoeding in aanmerking komen, ontvangen automatisch schriftelijk bericht daarover van OCW. Zij hoeven dus geen aanvraag in te dienen. Wanneer instellingen alternatief willen aanwenden, moeten zij echter wel met het ministerie in overleg treden en u kunt hiervoor contact opnemen met uw contactpersoon bij OCW.

3. Categorie 2-instellingen / B3-instellingen

Wat is een B3-instelling?
Een instelling met B3-status is een privaatrechtelijk lichaam dat op 31 december 1995, op grond van artikel B 3 van de Algemene burgerlijke pensioenwet, was aangewezen als lichaam waarvan het personeel geheel of ten dele ambtenaar in de zin van de Algemene burgerlijke pensioenwet is

Zijn er naast de wachtgelden financiële middelen voor zaken als omscholing, outplacement, etc. beschikbaar?
Alleen bij alternatieve aanwending van de subsidie is er eventueel ruimte voor dergelijke plannen. Hiervoor kan de instelling een verander-/afbouwplan indienen. OCW moet dit plan goedkeuren. Bij de beoordeling van plannen wordt rekening gehouden met (I) het bedrag dat de instelling alternatief wil aanwenden, (II) het aantal vierjaarlijkse periodes dat de instelling onafgebroken subsidie ontvangt, (III) de kostensoort ten behoeve waarvan de instelling alternatief wil gaan aanwenden, (IV) de activiteiten die de instelling in 2012 wel zal blijven uitvoeren en (V) het financieel perspectief van de instelling na 2012.
Het bedrag dat alternatief wordt aangewend mag niet hoger zijn dan de vergoeding uitgedrukt in het aantal maanden doorloop van de subsidie 2009-2012 waar de instelling recht op heeft op grond van de Regeling frictie- en transitiekosten culturele basisinfrastructuur 2009-2012.

Vanaf wanneer kan ik mijn kostenberekening indienen?
Als een B3-instelling een besluit ontvangt over subsidiebeëindiging of –vermindering, zal worden vermeld op welke wijze een kostenberekening kan worden ingediend. Zo’n besluit wordt uiterlijk rond Prinsjesdag 2012 verzonden. In een aantal gevallen zal een besluit tot subsidievermindering al eerder kunnen worden verzonden. Dat gebeurt dan in de vorm van een formele aankondiging. Ook in zo’n aankondiging zal worden vermeld op welke wijze een kostenberekening kan worden ingediend.

Is er een sociaal plan?
Nee, er wordt door OCW geen sociaal plan opgesteld. OCW heeft namelijk geen rol als werkgever. OCW betaalt een vergoeding voor kosten die het directe gevolg zijn van en noodzakelijk zijn voor de afbouw van structurele verplichtingen, die niet redelijkerwijs door de instelling voorkomen hadden kunnen worden en die niet het gevolg zijn van verplichtingen die zijn aangegaan na 6 december 2010. Uitwerking daarvan is een vaste vergoeding voor niet-B3-instellingen en een maatwerkvergoeding voor B3-instellingen.

Welke kosten mogen worden opgevoerd?
In de Regeling frictie- en transitiekosten culturele basisinfrastructuur 2009-2012 staat aangegeven welke kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Het moet gaan om kosten voor de afbouw van structurele activiteiten die zijn aangegaan ter realisatie van de activiteiten waarvoor aan de instelling voor de periode 2009-2012 subsidie is verstrekt door OCW of kosten waarmee OCW uitdrukkelijk heeft ingestemd. Instellingen die geen B3-status hebben, hoeven geen kosten op te geven; zij ontvangen automatisch bericht van OCW over hun vergoeding.
Voor B3-instellingen geldt maatwerk. Voor wat betreft de bovenwettelijke uitkering waarvoor een B3-instelling zelf risico draagt en die een instelling uit dient te keren aan iemand die werkloos is geworden in de zin van de WW op grond van diens arbeidsovereenkomst komt uitsluitend voor vergoeding in aanmerking het gedeelte waar op grond van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen voor de sector Rijk (zoals van toepassing na 31 december 2012) recht op is.

Wat zijn structurele verplichtingen?
Hierbij valt te denken aan langlopende afspraken die niet zomaar kunnen worden opgezegd, zoals arbeidsovereenkomsten met vast personeel of huisvestingscontracten.

Waaruit bestaat de bovenwettelijke uitkering?
De bovenwettelijke uitkering bestaat uit een aanvullende en een aansluitende uitkering. Voor rijksambtenaren wordt deze geregeld in het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk. Bij de vergoeding van kosten voor aanvullende en een aansluitende uitkering die B3-instellingen moeten maken, wordt aangesloten bij dit Besluit.
Er is alleen recht op een aanvullende uitkering indien de werknemer recht heeft op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Hiervan is onder andere sprake wanneer de werknemer als gevolg van een ontslag werkloos is geworden in de zin van de Werkloosheidswet.
Van een aansluitende uitkering is sprake indien de duur van de bovenwettelijke uitkering berekend op grond van bovengenoemd besluit langer is dan de duur van de uitkering berekend op basis van de Werkloosheidswet en de werknemer na afloop van de voor hem op basis van de Werkloosheidswet geldende uitkeringsduur nog werkloos is.

Hoe zal betaling van wachtgeld plaatsvinden?
De procedure rondom het uitvoeren van de betalingen van de maatwerkvergoedingen wordt op dit moment nader uitgewerkt. Hierover is contact gelegd met het UWV.

Worden wachtgeldregelingen integraal gehonoreerd?
Aan de B3-instellingen wordt maatwerk geboden. De kosten die in aanmerking komen, staan in de regeling. Wat betreft het wachtgeld wordt aangesloten bij het Besluit bovenwettelijke uitkeringen voor de sector Rijk.

 4. Bestemmingsfonds OCW

Hoe groot (of klein) mag de financiële buffer of reserve zijn die je als instelling op het eind van 2012 mag hebben én houden, volgens de normen van het ministerie?
Voor beide categorieën geldt dat OCW op grond van de Regeling frictie- en transitiekosten culturele basisinfrastructuur 2009-2012 de mogelijkheid heeft te bepalen wat met de middelen in het bestemmingsfonds OCW en andere reserves die mede tot stand zijn gekomen met OCW-subsidie dient te gebeuren. Er kan worden bepaald dat deze middelen in mindering worden gebracht op de vergoeding.

Wat gebeurt er met het bestemmingsfonds OCW?
Dat is geregeld in de Regeling frictie- en transitiekosten culturele basisinfrastructuur 2009-2012. OCW kan besluiten dat het bestemmingsfonds OCW in mindering wordt gebracht op de vergoeding waar een instelling aanspraak op maakt. Stel dat een instelling recht heeft op 4 maanden en het bestemmingsfonds OCW bevat een bedrag dat minder is dan die 4 maanden, dan plust OCW de rest bij. Andersom kan ook gebeuren dat het bestemmingsfonds OCW groter is dan de vergoeding. Er kan dan worden bepaald dat het resterende bedrag moet worden teruggestort naar OCW. Zie ook de rekenvoorbeelden.

Geeft OCW nog steeds toestemming om het bestemmingsfonds aan te wenden bij een negatief exploitatieresultaat?
In de Regeling frictie- en transitiekosten culturele basisinfrastructuur 2009-2012 staat dat instellingen voor het restant van de periode 2009-2012 voor iedere aanwending van het bestemmingsfonds OCW toestemming nodig hebben van OCW. Dus ook bij een negatief exploitatieresultaat. Iedere aanwending die ter goedkeuring aan OCW wordt voorgelegd en die niet ziet op het tegengaan van frictiekosten, zal in beginsel worden afgewezen.

 5. Overig

Waarom wordt er een onderscheid gemaakt tussen B3-instellingen en overige instellingen?
B3-instellingen zijn eigenrisicodrager in het kader van uitkeringen op grond van de Werkloosheidswet (WW). Dat houdt in dat zij over de salarissen van werknemers geen WW-premie betalen. Indien een werknemer van een B3-instelling werkloos in de zin van de WW wordt, betaalt het UWV de WW-uitkering, maar verhaalt deze vervolgens op de B3-instelling. Indien de cao die van toepassing is op de arbeidsbetrekking tussen een B3-instelling en de werknemer daarnaast voorziet in bovenwettelijke aanvullingen in het geval van werkloosheid dan kan voor dat gedeelte in het geheel geen beroep worden gedaan op het UWV. Deze arbeidsvoorwaardelijke aspecten maken dat bij het frictiekostenbeleid dat is neergelegd in de Regeling frictie- en transitiekosten culturele basisinfrastructuur 2009-2012 een onderscheid wordt gemaakt tussen B3-instellingen en overige instellingen.

Wie draagt de frictiekosten bij vermindering van de subsidie van zowel het Rijk als de gemeente?
De frictiekosten die het gevolg zijn van vermindering van OCW-subsidie worden door OCW vergoed naar rato van de verstrekte OCW-subsidiedeel. OCW vergoedt dus geen frictiekosten die het gevolg zijn van vermindering van subsidie door een andere overheid.

De aanvraagronde is toch vrij, wie zegt dat de instellingen die een brief over voorgenomen subsidiebeëindiging of – vermindering hebben ontvangen geen kans maken op een plek in de nieuwe bis?
Twee soorten instellingen hebben een brief ontvangen. In de eerste plaats gaat het om type instellingen die niet in de nieuwe subsidieregeling worden genoemd. Bij ongewijzigde voortzetting van hun activiteiten maken deze instellingen geen kans op een plek in de nieuwe BIS. Hun subsidie zal in dat geval dus zeker worden beëindigd. Als zij voor hun huidige activiteiten toch een aanvraag indienen, zal die geheel moeten worden geweigerd. Wanneer zij zich zouden omvormen naar een type instelling waarvoor wel een grondslag in de subsidieregeling is, maken zij uiteraard wel kans op subsidie.
In de tweede plaats gaat het om instellingen die voor hun huidige activiteiten nog wél subsidie kunnen ontvangen op grond van de nieuwe subsidieregeling, maar voor wie het subsidiebedrag altijd lager zal uitvallen dan in de huidige periode. Als die instellingen toch voor hun huidige bedrag zouden aanvragen, dan zal in ieder geval een gedeeltelijke weigering volgen.

Hoe ga ik om met verplichtingen vanaf 2013?
Uit de brief van 6 december 2010 bleek voor het eerst dat instellingen terughoudend moesten zijn met het aangaan van langdurige verplichtingen. Het is niet zo dat instellingen helemaal geen verplichtingen aan zouden mogen gaan, maar mocht een instelling met een subsidiebeëindiging of –verlaging worden geconfronteerd en deze verplichtingen moeten afbouwen en mochten daarbij kosten komen kijken, dan komen deze kosten niet voor vergoeding door OCW in aanmerking.

Wat gebeurt er wanneer het frictiebudget van het ministerie wordt overschreden?
Een eenduidig antwoord valt hierover niet te geven. In voorkomend geval zal een overschrijding van het budget mogelijk binnen de eigen begroting moeten worden opgevangen. Dit zou kunnen betekenen dat er een nieuwe bezuinigingsronde zal plaatsvinden.

Is er wel genoeg geld om alle frictiekosten te betalen?
Er is een budget van € 138 miljoen. Dat lijkt op dit moment voldoende.

Wat is het verschil tussen frictiekosten en transitiekosten?
De term frictiekosten wordt veelal gebruikt voor definitieve afbouw en transitiekosten voor doorstart, al dan niet na een zekere afbouw.

Waar kan ik terecht voor advies?
Bij de contactpersoon bij OCW.

Is dit het hele beleid van OCW omtrent frictiekosten?
Ja. Aan de Tweede Kamer was toegezegd uiteen te zetten hoe het beleid eruit zou gaan zien. Deze regeling dient daartoe.

Krijgt het NAPK een functie in het frictiekostenbeleid?
Nee, althans niet vanuit OCW. Instellingen hebben een subsidierelatie met OCW, dus een vergoeding bij verlaging of vermindering verloopt via dezelfde weg.  

De subsidie is toch nog niet geweigerd?
Dat klopt. Op grond van de subsidieregeling en de junibrief is echter voor een groep instellingen al duidelijk dat ze bij ongewijzigde voortzetting van hun activiteiten geen kans maken op een plek in de BIS, of dat de mogelijke subsidie lager zal zijn dan het bedrag dat de instelling in de huidige periode ontvangt. Het is daarom al mogelijk om op grond van artikel 4:51 van de Algemene wet bestuursrecht een aankondiging te doen dat de instelling voor de volgende periode geen of minder subsidie zal ontvangen.

Als ik een vergoeding krijg, mag ik dan nog wel aanvragen en vice versa?
Ja, aanvragen kan altijd, maar dat heeft natuurlijk alleen zin als de activiteiten waarvoor wordt aangevraagd subsidiabel zijn op grond van de nieuwe subsidieregeling.
Als een instelling voorafgaand aan Prinsjesdag 2012 al een besluit ontvangt waarmee wordt aangekondigd dat de subsidie zal worden beëindigd, bevat zo’n besluit ook een toekenning van een vergoeding in de vorm van een vaste doorloop van subsidie na 2012. Als zo’n instelling toch subsidie gaat ontvangen (dat kan van een andere overheid zijn, maar eventueel ook van OCW, mocht er een omvorming naar activiteiten hebben plaatsgevonden die wél subsidiabel zijn door OCW), dan wordt de vergoeding naar rato bijgesteld.
Het zelfde geldt voor een instelling die voorafgaand aan Prinsjesdag 2012 al een besluit ontvangt waarin wordt aangekondigd dat de subsidie ingeval van verlening altijd lager zal zijn dan het huidige niveau. De vergoeding wordt aan dergelijke instellingen ook naar rato uitgekeerd. Zie ook de rekenvoorbeelden.

Wanneer wordt de vergoeding uitbetaald?
In januari 2013 krijgen instellingen bij wijze van voorschot 80% van de vergoeding in één keer overgemaakt. De resterende 20% wordt uitbetaald na vaststelling van de subsidie over de periode 2009-2012.
In bijzondere gevallen kan hiervan worden afgeweken. Een instelling moet dan wel aantonen dat de instelling een liquiditeitsbehoefte heeft die afwijking van de betaalmomenten vereist. Instellingen kunnen hiervoor contact opnemen met de contactpersoon bij OCW.

Moet ik het bedrag ook verantwoorden?
Op verzoek dienen instellingen aan te kunnen tonen dat de vergoeding besteed is voor het doel waarvoor deze is verstrekt en dat voldaan is aan de hieraan verbonden verplichtingen. Mocht een instelling verzocht worden het bedrag te verantwoorden dan zal hierover tijdig bericht worden ontvangen.

Ik wil een gesprek met de minster, staatssecretaris, directeur-generaal Cultuur en Media of directeur Kunsten, kan dat?
Nee. Gesprekken over afbouw en alternatieve aanwending worden gevoerd met de beleidsmedewerkers. Die hebben specifieke kennis van de instelling.

 Rekenvoorbeelden

Hieronder treft u enkele rekenvoorbeelden aan. Hierover kunnen geen rechten worden ontleend.

Instelling X, een categorie 1-instelling, ontvangt sinds de subsidieperiode 2005–2008 een vierjaarlijkse instellingssubsidie op grond van de Wet op het specifiek cultuurbeleid.
Voor de periode 2009–2012 heeft instelling X in totaal € 4 miljoen subsidie verleend gekregen, welk bedrag als volgt was opgebouwd:
− voor het aandeel 2009: € 1,5 miljoen; 
− voor het aandeel 2010: € 1,1 miljoen;
− voor het aandeel 2011: € 0,5 miljoen; en 
− voor het aandeel 2012: € 0,9 miljoen.

Hoogte van de vergoeding:

1)De subsidie van instelling X wordt na 2012 beëindigd
Op grond van de regeling krijgt instelling X een vergoeding ter hoogte van drie maanden subsidie (twee maanden voor de subsidieperiode 2009–2012 en één maand voor de subsidieperiode 2005–2008 ).
Een maand doorloop van de subsidie wordt berekend als 1/12-de deel van het gemiddelde jaarlijkse subsidieaandeel over de periode. In het geval van instelling X is het gemiddelde jaarlijkse subsidieaandeel (1,5+1,1+0,5+0,9/4=) € 1 miljoen.
Een vergoeding ter hoogte van 3 maanden doorloop is dan 3/12-de deel van € 1 miljoen = € 250.000.

2) De subsidie van instelling X wordt na 2012 verlaagd met 50%
Op grond van de regeling wordt bij een verlaging van de subsidie de vergoeding naar rato van de verlaging berekend.
Bij een verlaging van de subsidie met 50% wordt de vergoeding voor instelling X (50% van € 250.000=) € 125.000

Aanwending bestemmingsfonds OCW:

3)Instelling X heeft een bedrag van € 150.000 in het bestemmingsfonds OCW
Uitgaande van rekenvoorbeeld 1 krijgt instelling X een vergoeding van € 250.000.
Op grond van de regeling besluit de minister dat het geld dat is gereserveerd in het bestemmingsfonds OCW in mindering wordt gebracht op de vergoeding.
Voor instelling X betekent dit dat na aanwending van het bestemmingsfonds OCW nog (€ 250.000 – € 150.000=) € 100.000 wordt vergoed.

4) Instelling X heeft een bedrag van € 400.000 in het Bestemmingsfonds OCW
Uitgaande van rekenvoorbeeld 2 krijgt instelling X een vergoeding van € 250.000.
Op grond van de regeling besluit de minister dat het geld dat is gereserveerd in het Bestemmingsfonds OCW in mindering wordt gebracht op de vergoeding en dat het geld dat aldus resteert in het bestemmingsfonds OCW teruggestort dient te worden naar OCW.
Voor instelling X betekent dit dat de volledige vergoeding betaald kan worden uit het bestemmingsfonds OCW en dat het bedrag dat overblijft, zijnde (€ 400.000 – € 250.000=) € 150.000, teruggestort dient te worden naar OCW.
 

Relevante documenten

Regeling frictie- en transitiekosten culturele basisinfrastructuur 2009-2012

Aanbiedingsbrief Regeling frictie- en transitiekosten

Wet op het specifiek cultuurbeleid